BOL OP BANSE
Ze hebben ze ontdekt, de letters. Anne begon er mee
toen ze in groep 2 zat. Elke morgen in bed oefende
ze onvermoeibaar het alfabet. En het duurde niet lang
voor ze door had dat allemaal-letters-achter-elkaar
een woord vormden. Ik zal haar gezicht bij die ontdekking
niet snel vergeten. Wat een verrukking! Ze kon lezen.
Nou ja, lézen. Een beetje dus.
Jette zag deze ontwikkeling achteloos aan en toonde
niet de minste interesse richting literatuur. Maar
dat veranderde snel. Na een week of twee kon ook Jette,
onder Anne’s bezielende leiding, al heel aardig
met de letters uit de voeten.
Een paar dagen later kwamen ze op het idee om zélf
woordjes op te gaan schrijven. Niet gehinderd door
spellingsregels schreven ze enthousiast oomaa en hont en bkie (buggy).
Vanaf dat moment werd elke tekening gelardeerd met
tekst en uitleg: ‘Dit is Jette. Ze is bol op
banse.’ Want de d en de b uit elkaar houden,
wil nog niet zo best lukken.
De eerste brief die ze schreven, was er één
aan opa en oma. De tweede, derde, vierde, vijfde enzovoort,
kregen wij. Aandoenlijk lieve briefjes vonden we in
bed op ons kussen:
ik fit mama de lievstu mam
je dogdes sijn ook liev
dag sgat van jette
lievu papa.
je bent de lievst vaadur oovur de heel
wirolt
hoe vint je drie dogturs
heelboel kusjs van anne
En uiteindelijk begonnen ze ook aan elkáár
te schrijven. Van oude schoenendozen maakten ze twee
brievenbussen en zo bestookten ze elkaar met post.
Jette kreeg drie keer zoveel brieven dan de ijverige
Anne, maar dat mocht de pret niet drukken.
Een tikje geroerd zagen we hoe er een wereld voor ze
open ging, en geen haar op ons hoofd die er aan dacht
de vele fouten te verbeteren.
En dan – op woensdagmiddag – komt Hanna
eten en spelen. Hanna zit in groep drie en leert dus
al écht lezen en schrijven. Aan tafel deelt
ze voor alle duidelijkheid even de reden van haar komst
mee. ‘Ik ben hier dus eigenlijk gekomen voor
Anne,’ zegt ze.
Ik zie Jette’s gezicht betrekken, en het duurt
even voor ze mijn semi-luchtige ‘moet kunnen’ reactie
kan accepteren. Wij gaan samen kleien en Anne en Hanna
gaan samen spelen.
Maar helaas kunnen ze geen overeenstemming bereiken
over wat ze nou eens zullen gaan dóen. Anne
wil fietsen en Hanna niet.
‘Ik weet wat,’ zeg ik na een tijdje. ‘Jullie krijgen van
mij alledrie een postzegel en dan mag je iemand kiezen aan wie je een brief
wilt schrijven.’ Dat vinden ze enig.
Hanna schrijft een brief aan haar moeder, Anne aan
papa en Jette aan Liselotje:
‘ik hou hil vil van jou liselotej.
kusj op jou boletj.’
Aan het eind van de middag deponeer ik drie versierde
enveloppen in de brievenbus.
De volgende dag brengt de postbode (hé, wat
eenverrassing) twee brieven: Eén voor Ron en één
voor Liselotje. Als Lotje bij me op schoot zit, lees
ik de brief van haar grote zus voor. Enthousiast slaat
ze met haar handjes tegen het papier en roept geïnspireerd ‘da-da’ en ‘ba-ba.’ Het
is zonneklaar, ze vindt het leuk, zo’n brief.
’s Avonds zitten onze oudste twee dochters weer met pen en (veel!) papier
aan tafel brieven te schrijven. Binnenkort zal het wel in alle kranten staan:
Onverwacht forse winsten voor PTT!
Centraal Weekblad – april 1994
(Anne en Jette 6 jaar, Liselotje 1 jaar)
|