KOM MAAR JOOST
'Kom maar, Joost,' roep ik. 'Kóm dan
'
En ik reik hem hartelijk de hand.
Maar Joost komt niet. Helemáál niet zelfs.
Wat denk ik wel?
Woedend ligt mijn kleine neefje op de stoep te brullen,
en hij lijkt niet de minste animo te hebben om mijn
hand te grijpen. Want dáár ging het nou
juist om, om die hand.
Joost en ik zouden een stukje gaan wandelen en hij móést
van mij een handje geven. Het leek me namelijk zo prettig
om mijn twee-jarige logé weer gaaf en ongeschonden
aan mijn zusje te kunnen teruggeven.
'Kom, Joost,' zeg ik nog eens. 'Dan gaan we die mooie,
rode auto daar bekijken.'
Maar helaas. Zijn enorme passie voor auto's is ineens
spoorloos verdwenen.
'Nee!' brult hij hartstochtelijk. 'Joost komt niet.'
Hij spartelt driftig met zijn pootjes om zijn woorden
kracht bij te zetten.
De mevrouw die voorbij fietst, kijkt lachend om. Ze
vindt het enig. Ik eigenlijk ook. Ik vind dat jongetje
dat buiten zichzelf van woede op de grond ligt, buitengewoon
komisch. Maar ja, ik weet het best: dat komt omdat ik
me ingesteld heb op zijn driedaags verblijf, omdat mijn
kinderen op school zitten, omdat alle boodschappen al
in huis zijn, en omdat ik geen hongerige baby heb die
nodig een fles moet hebben. Kortom: tante heeft de tijd
om één en ander gemoedelijk aan te zien.
Maar als moeder staat het me allemaal nog vers voor
de geest, die peuterpubertijd.
Het was vijf uur toen ik écht nog even naar
de bakker moest. Dus propte ik mijn tweejarige dochters
in hun jasjes en wandelde er naar toe. Heen verliep
alles naar wens. Keuvelend liepen we in een slakkentempo
over straat. Maar nadat ik afgerekend had, sloeg de
ellende toe. Anne wilde niet meer mee naar huis.
'Anne blijft, Anne blijft!' gilde ze met overslaande
stem en liet zich vervolgens op de bakkersvloer vallen.
'Dat is goed,' zei ik nog redelijk opgewekt. 'Blijf
jij maar lekker bij de bakker, dan gaan wij vast naar
huis.'
Maar dat bericht viel niet in goede aarde. 'Anne blijft
niet! Anne blijft niet!' brulde ze woedend. Deze situatie
herhaalde zich een paar keer en toen was ik het zat.
Ik pakte mijn spartelende en schoppende kind onder de
arm en wandelde met Jette aan de andere hand, en de
tas brood aan mijn pink, de winkel uit.
Inmiddels bleek het buiten flink te zijn gaan plenzen.
Comfortabel was anders. Al snel werd mijn last te zwaar
en moest ik Anne weer op de grond zetten.
Semi-opgewekt zei ik dat we nu allemaal weer gezellig
gingen lopen. Heel even ging dat goed, maar toen herinnerde
Anne zich ineens waar het op dit uur van de dag eigenlijk
om draaide. Meteen liet ze zich weer op de grond zakken.
Dit keer in een plas.
En toen was ik het opnieuw zat. Spuugzat zelfs. Ik
bundelde mijn krachten en nam me heilig voor om haar
hóé dan ook naar huis te sjouwen. Op dat
moment bedacht Jette dat ze óók gedragen
wilde worden. Met de moed der wanhoop besloot ik hierover
geen discussie meer aan te gaan. Ik zakte door de knieën
en hees haar moeizaam met mijn andere arm omhoog.
De tas met brood deed mijn pink bijna bezwijken.
Een paar voorbijgangers lachten geamuseerd. Ik lachte
niet. Kromgebogen voortsjokkend in de regen verlangde
ik nog maar naar één ding: het einde van
de dag.
Een Cursus-Geduld noemen we dat. Als je kinderen een
beetje meewerken, kun je de lessen gratis volgen. En
mocht het cursuspakket bij nader inzien een beetje tegenvallen;
geen nood, want koppige peuters veranderen helemaal
vanzelf in vriendelijke, behulpzame kleuters. Als dát
geen wonder is, weet ik het ook niet meer.
En dan roep ik maar weer eens: 'Kom maar Joost, kóm
dan
'
Centraal Weekblad - september 1992
(Anne en Jette 5 jaar, neefje Joost 2 jaar)
Naar
column archief 
|