Naar vorige pagina.EEN SUIKERPOTDAG

Een dag die begint met het omvallen van een suikerpot kan nooit veel goeds beloven. En zowaar - deze zelfbedachte stelling lijkt nog uit te komen ook.
Het is maandagmorgen en het loopt allemaal niet precies zoals het zou moeten. Ik heb het gewoon niet zo, vandaag. En onze anders zo opgewekte Liselotje heeft er ook al niet veel zin in. Als ze na veelvuldig jammeren weer in bed ligt, ga ik zuchtend een flinke stapel pannenkoeken bakken. Else en Steffanie blijven eten en hebben vooraf aangekondigd er minstens vijf op te eten. Daar valt tussen de middag niet tegen op te bakken, dus daarom begin ik maar vast.

Om twaalf uur rennen er drie, in plaats van vier meisjes op me af. En van die drie huilen er twee. Dat zijn mijn dochters. Want wat was het geval? De moeder van Steffanie was vergeten dat Steffanie bij ons zou komen en had op school gezegd dat Steffanie over moest blijven. Kort gezegd: we krijgen haar dus niet mee. Ik troost en sus dat het een lieve lust is. Tenslotte komen er nog veel meer dagen. Dan komt Steffanie gewoon een andere keer bij ons eten.
Maar dan barst Anne opnieuw in tranen uit. Dit keer om de lieve mevrouw bij de slager die altijd een plakje worst geeft. Ze is gevallen en naar het ziekenhuis gebracht. En daar is ze overleden.
'Wàt…?' roep ik ontsteld. 'Is dat écht waar?'
'Jááá…' roept Anne snikkend. 'Timo heeft het zelf verteld. En nu is ze dood. Echt gestorreven.'

En daar lopen we dan. Op weg naar de pannenkoeken. De tranen prikken achter mijn ogen. De stemming is tot onder het nulpunt gezakt. De eetlust trouwens ook, want er blijven elf pannenkoeken over. Het gesprek keert steeds weer terug op de oma van Timo, de mevrouw van de slager.
Op school zoek ik de moeder van Timo om haar te kunnen condoleren. Maar ik zie haar niet. Ik aarzel even. Zal ik juf vragen wat er nu precies gebeurd is? Ik doe het toch maar niet. Wél schiet ik op het schoolplein een bevriende moeder aan. Ze reageert net zo geschokt als ik als ze het verhaal hoort. We kunnen het allebei nauwelijks geloven.
De hele middag loop ik er aan te denken. Hoe betrekkelijk het leven toch is. Het ene moment leef je en maak je plannen voor de toekomst. En het volgende moment is het voorbij. Het idee dat ik Timo's oma nooit meer zal zien, benauwt me. Zo'n onverwacht einde maakt me bang.

Als ik de kinderen weer uit school haal, informeer ik of Timo op school was. En ja, dat bleek wel het geval. 'Trouwens,' wordt me achteloos verteld. 'Zijn oma is toch niet echt dood, hoor.'
'Wàt zeg je…?' hoor ik mezelf verbijsterd roepen. 'Ja, nee… dood is ze niet. Dat was een vergissing. Timo had gezegd: 'ze is er niet meer.' Maar hij bedoelde dat ze niet in de winkel was.' 'Maar ja,' voegt Anne er troostend aan toe. 'Ze zit wél in het gips hoor. 'D'r was iets met d'r pols hè.'
Ondanks het feit dat ze me eigenlijk fantastisch nieuws vertelt, ben ik toch een beetje in de war. Het duurt even voor de gewijzigde stand van zaken tot me doordringt. Ze is dus niet dood maar lééft.
's Avonds schiet me te binnen dat ik de moeder aan wie ik het dramatische nieuws heb verteld wel even mag bellen. Ze begint meteen te lachen als ze mijn stem hoort. 'Het is niet waar hè?' zegt ze.
'Nee,' zeg ik bedrukt. En dan moet ik ineens heel hard lachen.
En zo kon het gebeuren dat een rottige 'suikerpotdag' toch nog vrolijk eindigde. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, dat is duidelijk.


Centraal Weekblad - februari 1994
(Anne en Jette 6,5 jaar - Liselotte 10 maanden)

Naar column archief Naar vorige pagina.

 
 
Anne en Jette met hun kleine zusje

Anne en Jette met hun kleine zusje

Liselotje in de buggy
Liselotje in de buggy
Een stralend kind van 10 maanden
Een stralend kind van 10 maanden