VLIEGEN
OP DE STOEP
Ooit was ze vastbesloten te leren vliegen. Net vijf
jaar was ze, en ik herinner het me nog als de dag van
gisteren. Trots kwam ze met twee kunstig gemaakte papieren
vleugels naar beneden. Of ik die maar even met een
touwtje op haar rug kon bevestigen.
Vol vuur deed ze haar plannen uit de doeken. Want zelf
vliegen, dat móést kunnen.
Toen ik mijn verbazing te boven was, legde ik uit dat
het best was, als ze zich maar zou beperken tot 'vliegen
op de stoep' en niet een duik uit het zolderraam
zou nemen.
'Nee, nee, natuurlijk niet.' En daar ging
ze.
Voor het raam heb ik vertederd gekeken hoe ze – al
wapperend met haar armen – over de stoep begon
te rennen, in afwachting van het grote moment dat ze
de aarde zou ontstijgen. Teleurgesteld omdat haar voeten
gewoon op de grond bleven, maar nog steeds opgewekt,
kwam ze thuis.
Ze heeft het daarna nog een keer met een ander model
vleugels geprobeerd. En toen het ook daarmee niet lukte,
gaf ze uiteindelijk de moed maar op.
Echter, de merkwaardige invallen bleven komen. Zo maakte
ze met grote toewijding van een schoenendoos en gekleurde
velletjes rubber een kermis voor twee rupsen die ze
gevangen had. Het was jammer dat de rupsen het vertikten
om in de draaimolen te gaan, en zich bovendien zo ondankbaar
gedroegen dat ze doodleuk de doos verlieten. Daar heeft
ze wel even om gehuild, want dat vond ze niet aardig.
Het weerhield haar er niet van om zich weer vol ijver
op een nieuw project te storten. Ze maakte een vogelnest
waar ze hoogstpersoonlijk in ging zitten broeden, ze
ontwierp een cursus tekenen (voor beginners vermoed
ik) met allerlei opdrachten.
Ik vond het cursusmateriaal een half jaar geleden in
een la onder haar bed, en daar ligt het nog steeds.
Toen ze een kleuter was dacht ik dat haar fantasiewereld
van voorbijgaande aard zou zijn. Maar niets bleek minder
waar dan dat. Over een paar weken wordt ze negen jaar
en ze creëert nog dagelijks een extra dimensie
in haar bestaan.
Onlangs vroeg ze of ze een plastic vakjesdoos mocht
gebruiken. Luid zingend vertrok ze er mee naar boven.
Een paar dagen later trof ik de doos op haar kamer
aan. In elk vakje lag wel wat: piepkleine poppenmeubeltjes,
een paar kleine lapjes stof, een paperclipje en ga
zo maar door.
Nieuwsgierig vroeg ik me af wat dat geheel nu toch
zou moeten voorstellen. Een opgevouwen briefje in één
van de vakjes bracht uitkomst. Dat bleek namelijk de
plattegrond te zijn van een insectenhospitaal. Ik zou
er nooit van mijn leven opgekomen zijn, maar de ingerichte
doos was dus een insectenziekenhuis.
De enigen die nog in het hospitaal ontbraken waren
de insecten. Die zijn er ook nooit ingekomen, want
als ze érgens bang voor is dan is dat wel voor
insecten. Voor het kleinste vliegje in haar kamer moet één
van ons onmiddellijk uitrukken met een vliegenmepper,
want anders kan ze onmogelijk slapen. Dat begrijpen
we toch zeker wel?
En kijk, dat begrijpen we dus niet. Net zomin als
we begrijpen waarom ze op het idee kwam een eigen kookboek
te gaan schrijven.
Elke avond schrijft ze in een dik schrift een zelfbedacht
recept. Wat opvalt is dat ze bij al haar culinaire
verzinsel voornamelijk belang hecht aan hoe het geheel
er uit komt te zien. Dat het gerecht ook nog gegeten
moet worden komt duidelijk op de tweede plaats. Recept
nummer 9 bijvoorbeeld heet 'Een boterhamgezicht',
samengesteld uit brood, geraspte kaas, gestampte muisjes
en drop.
Ik heb al meerdere keren gedacht dat ik haar eigenlijk
eens op één van haar eigen recepten zou
moeten trakteren. Maar als ik me voortstel hoe haar
verzinsels gaan smaken, zie ik er toch maar van af.
Tenslotte verdient een kind dat zulke leuke dingen
verzint nou ook weer geen straf!
Centraal Weekblad – augustus 1996
(Anne en Jette 9 jaar - Liselotte 3 jaar)
Naar
column archief 
|