ONNOZELE
ENGERD (de spin)
‘Mam, ik moet ophangen, want volgens mij hoor
ik Liselotje huilen, en Ron is naar een vergadering.’
Ik hang snel op en ren naar boven. Daar blijkt dat
het alarmerende geluid van zolder komt, en wel van
Jette. ‘Má…má…! Waar
bén je nou?’ roept ze met schor overslaande
stem.
Eenmaal boven schrik ik van haar rood opgezette gezicht
en vraag me af wat er in vredesnaam aan de hand zou
kunnen zijn. Normaal gesproken komt ze gewoon naar
beneden als er iets is.
Het duurt een hele tijd voor ze weer enigszins verstaanbare
taal kan produceren. En dan… dán komt
het hoge woord eruit. Ze was naar de badkamer gegaan
en had bovenaan de trap even geluisterd naar wat ik
aan het doen was. En toen, ja toen zag ze hem ineens,
op de onderste tree van de trap: een spin!
In paniek was ze weer naar zolder gevlucht, want het
was een héle grote. ‘Je weet wel, mam,
zo’n dikke zwarte.’
Mam weet inderdaad haarfijn welk type ze bedoelt en
voelt meteen de moed in de schoenen zinken. Aangeslagen
zitten we samen op de rand van haar bed. Zij nog naschokkend.
Ik in het droevig stemmende besef dat ik me als enige
volwassene bevind in een huis-met-spin.
Na een tijdje besluiten we om te kijken of hij nog
steeds op de onderste tree zit. Angstig kijken we over
het hekje naar beneden, maar we zien niets.
'Weet je zeker dat je je niet vergist hebt?’ vraag
ik hoopvol.
Daarop begint ze ogenblikkelijk weer te jammeren en
ik begrijp teleurgesteld dat hier wel degelijk sprake
is van een Echte Spin.
Na een minuut of vijf vertwijfeld bovenaan de trap
te hebben gestaan, besluit ik dapper dat we iets moeten
doen. ‘We gaan naar beneden en dan wachten we
daar tot papa weer thuis is.’
Achter elkaar rennen we bang de trap af. We zien weliswaar
geen spin meer, maar dat is eigenlijk nog erger: hij
kan zomaar ineens op de muur zitten, of - oh nee, hè -
onder mijn schoen.
Eindelijk zitten we samen beneden. Benen voor de veiligheid
maar op de bank.
Moedeloos bedenk ik dat Ron hem straks misschien niet
zal kunnen vinden. Ik weet nu al wat voor rottige dagen
ik in dat geval tegemoet ga. Spiedend en speurend zal
ik dan door het huis lopen, voortdurend op mijn hoede
voor de vijand. Ik word bijna kwaad op mezelf omdat
ik niet in staat ben mijn angst voor die onnozele engerd
te overwinnen.
Als Ron een half uur later binnenstapt, brengen we
hem ogenblikkelijk op de hoogte van ons leed, waarna
hij met een vliegenmepper naar de gang vertrekt. Gespannen
wachten we op de verlossende klap: gelukkig, hij heeft
hem!
Twee dagen later – Ron is alwéér
weg – zit er tot mijn ontzetting weer één,
middenin de kamer. Ik aarzel niet, pak een grote schoen
uit de gang, geef een fikse mep, pak de spin met een
wc-papiertje en spoel hem door de wc. Daarna begin
ik enorm te rillen en te bibberen.
‘Je bent een held,’ zegt mijn zusje bemoedigend,
als ik bel om mijn verhaal te doen.
Zo voel ik me echter allerminst. Helden zijn voor mij
mensen die zo’n beest vriendelijk bij een pootje
pakken en hem buiten neerzetten. Nee, de echte held
in mij moet nog opstaan. Een mens moet natuurlijk altijd
optimistisch blijven, maar ik vrees dat wij – de
huisspin en ik – gewoon met elkaar zullen moeten
leren leven. Hij dan alleen een beetje korter dan ik.
Centraal Weekblad – oktober 1994
(Anne en Jette 7 jaar, Liselotje anderhalf jaar)
Naar
column archief 
|