EN
IK ZET KOFFIE…
‘Fantastisch dat u er bent!’ roep ik enthousiast
naar de aannemer, die ’s ochtends om half acht
binnenstapt. De verbouwing kan beginnen.
Potige werkmannen, met schoenen als stoomboten, stampen
doelbewust de trap op naar boven.
Op zolder wordt een dakkapel van zes meter breed geplaatst,
en daarvoor blijkt het noodzakelijk om eerst de achterkant
van ons dak te slopen en een tussenmuur aan gort te
slaan.
Als ik aan het eind van de dag ga kijken, constateer
ik verbijsterd dat ik onder een strakblauwe hemel sta.
En als ik naar de onvoorstelbare puinhoop kijk, kan
ik me niet helemaal direct voorstellen dat dit dus
ooit die mooie kamers zullen worden die we in gedachten
hadden.
Naarmate de dagen verstrijken, wordt het steeds drukker
en chaotischer in huis. Verwarmingsmonteurs zijn bezig
radiatoren te plaatsen. Loodgieters balanceren over
het dak om de dakkapel dicht te branden, timmermannen
timmeren dat het een lieve lust is, en een stukadoor
strijkt vakkundig de muren en gaten vlak.
En ik? Ik zet koffie. En koffie. En koffie.
De inventaris van de zolder staat verspreid door het
hele huis, en de bijkeuken is veranderd in een soort
torenflat van dozen, waarbij het geluk in zoverre met
mij is, dat ik nog net bij de wasmachine kan komen.
Jette slaapt bij Anne op de kamer en moet noodgedwongen
ook haar kleren dragen. Met mijn eigen garderobe is
het nog droeviger gesteld, want mijn linnenkast is
gebarricadeerd en ik draag dus gewoon steeds hetzelfde.
Tussen de bedrijven door ren ik naar school en weer
terug, verschoon luiers, lever kinderen af bij partijtjes,
en ontwikkel me tot een uitstekende klant bij snackbar
en Chinees.
Tijdens de koffie hoor ik de meest uiteenlopende verhalen.
De stucadoor blijkt zo’n honderdtachtig sierduiven
te hebben. De vogels die niet voldoen draait hij de
nek om en brengt hij naar ome Piet, die dol op gebakken
duif blijkt te zijn.
Met een brede grijns vertelt hij dat zijn duiven, uit
voorzorg, om de twee weken antibiotica krijgen en dat
ome Piet daar ook wel bij vaart. Die is – al
nadert hij de tachtig – nog steeds kerngezond.
Daarna deelt hij mee dat zijn vrouw een weekje met een vriendin op vakantie
gaat. ‘Hoe doe je dat dan met eten?’ willen de mannen en bloc weten.
Maar dat is geen probleem. Meneer heeft drie dochters en daar kan hij terecht
voor de warme hap. ‘Ja,’ zegt hij achteloos. ‘Ik heb al gezegd,
jullie moeten maar een roostertje maken want anders weet ik niet waar ik naar
toe moet.’
Eén van de timmerlieden gaat binnenkort trouwen,
maar is niet erg op de hoogte van de gang van zaken
want dat regelt de bruid allemaal.
De schilder houdt een speciaal soort kanaries, en de
loodgieter, die met een kolossale tuinbroek om zijn
minstens honderd kilo wegende lijf aan mijn keukentafel
zit, meldt trots dat hij net vader is geworden.
Hoewel ik met de dag vermoeider word, met een voorhoofdsholte-ontsteking
rondloop, en het zo af en toe in het geheel niet meer
zie zitten, moet ik toch vaststellen dat ik me kostelijk
vermaak met mijn werklieden, en vreselijk op ze gesteld
ben geraakt.
Op de dag dat ze afscheid nemen, zegt de aannemer dat
ze eigenlijk erg ondankbaar werk hebben. ‘De
mensen zijn meestal dolgelukkig als we komen, ‘ stelt
hij vast. ‘Maar ze zijn nog blijer als we onze
hielen weer lichten.’
‘Kom, kom,’ zeg ik dapper, maar ik herken
mezelf volledig in zijn uitspraak.
En toch – als ze luid toeterend wegrijden – zwaai
ik ze met iets van weemoed uit. Want we waren toch
maar mooi een tijdje vrienden. En dat komt niet meer
terug.
Centraal Weekblad – november 1994
(Anne en Jette 7 jaar – Liselotte 1,5 jaar)
Naar
column archief  |