DE
GEBROEDERS BEER
Toen Liselotje net geboren was, vroeg ik me af welke
van de vele gekregen knuffels ooit haar uitverkorene
zou worden, de steun en toeverlaat in goede en slechte
dagen.
Een maand of zes later was dat duidelijk. Haar keus
viel op een beertje. Een zachte, bruine beer met een
wit jurkje aan. Sindsdien is beer haar trouwe metgezel
en dat is hem al behoorlijk aan te zien. Hoewel hij
er nog niet zo gehavend uitziet als de beer van Anne.
Die moet de rest van zijn leven slijten in een oude
sok van Ron, omdat hij anders uit elkaar valt.
Gelukkig hoeft Anne’s beer de deur niet meer
uit. Hoewel het lang geduurd heeft, kan het baasje
inmiddels ‘zonder’. Het verrukkelijke aspect
daarvan is dat beer nooit meer op miraculeuze wijze
verdwenen is.
Ik herinner me de vele keren dat ik weer terug moest
omdat beer ineens spoorloos was. Wanhopig kamde ik
dan de winkels uit, om hem uiteindelijk in een supermarkt
tussen de zakken macaroni terug te vinden. En het was
puur geluk dat ik hem inderdaad ook altijd terugvónd.
Want slapen zonder beer behoorde absoluut tot de onmogelijkheden.
Met de beer van Liselot herhaalt de geschiedenis zich.
Door ervaring wijs geworden, heb ik geprobeerd haar
er aan te wennen dat beer standaard thuis zou blijven.
Maar nee, dat lukte niet. Beer moest en zou mee, en
zodoende gáát hij dus ook altijd mee.
Dat wil zeggen: héén. Maar het gebeurt
nog té vaak dat we op de terugweg ineens nog
maar met z’n tweeën over zijn: Lot en ik.
Terwijl dan achteraf bijvoorbeeld blijkt dat beer zijn
tijd riant in een bak met ondergoed heeft doorgebracht.
En wederom is de angst dat we hem op een dag definitief
kwijt zijn, altijd aanwezig. Want ook voor Lot geldt
dat ze zonder beer niet kan slapen.
Ik was dan ook heel blij toen een bekende (en erg
aardige) moeder me vertelde dat ze op Koninginnedag
een splinternieuwe reservebeer voor Lot op de kop getikt
had. Zo’n beer-achter-de-hand leek me een hele
geruststelling.
Op een dag kwam ze het nieuwe beertje brengen. Hoewel
deze beer inderdaad grote gelijkenis vertoonde met ‘onze’ beer,
was hij toch niet exact hetzelfde. Desalniettemin was
Lot er buitengewoon gelukkig mee en sloot hem meteen
in haar hart.
Die avond lagen twee beren naast een klein slapend
hoofd in bed. Fijn, dacht ik nog. Dan gaat hij misschien
net zo ‘lekker’ ruiken als haar andere
beer. De volgende morgen echter al bleek dat het hechtingsproces
tussen Lotje en beer - nr. 2 zo uitmuntend verlopen
was, dat ook híj onder geen beding alleen thuis
achter mocht blijven.
Tegenwoordig gaan we dus altijd met z’n vieren
op pad: de gebroeders beer gezamenlijk in een rieten
mandje, zodat Lot één hand over heeft
om mij vast te houden. Ik hou mijn hart regelmatig
vast als ik er één met zijn kop gevaarlijk
ver over de rand zie bungelen en prop hem dan snel
zo stevig mogelijk terug in de mand.
Maar ooit – op een dag – gaat het ongetwijfeld
een keertje fout. Kortom, de reservebeer die in eerste
instantie een uitkomst leek, blijkt nu een verdubbeling
van het risico te zijn. Ik ben benieuwd wat me wat
dit betreft nog te wachten staat.
Centraal Weekblad - januari 1996
(Anne en Jette 8 jaar – Liselotte 2,5 jaar)
Naar
column archief 
|