EEN
ONTAARDE MOEDER !
Oh oh, wat vonden ze me destijds een ontaarde moeder:
de bakker, de slager, de kaasboer, en jawel – ook
de klanten die in de winkel stonden. Want als ik met
Anne en Jette in de tweelingwagen binnen kwam, mochten
ze van mij nooit een stukje worst.
En waarom niet? Omdat ik het vaak genoeg had gezien:
zo’n kindje in een winkelkarretje, dat al om
worst begon te gillen vóór de slagersafdeling
zelfs maar in zicht was. De moeder manoeuvreerde dan
zenuwachtig door het afkeurende publiek heen en kon
niets met haar om worst schreeuwende kind beginnen.
Tenslotte, dat kind kreeg altíjd worst, daar,
op die plek – en dat wilde het nu wéér.
Logischer kun je het niet bedenken.
Die ellende in tweevoud wilde ik voorkomen. Daarom
bedankte ik steevast vriendelijk, onder het motto,
wat een mens niet kent, dat mist hij niet.
Dus ik had nooit het zweet in m’n handen staan
omdat ik met twee schreeuwende kinderen op mijn beurt
moest wachten. Maar toch waren de minzame blikken waren
niet van de lucht. Sommige mensen vertelden me ronduit
dat ze het heel zielig vonden voor die meisjes dat
ze van mij niets mochten. Het was duidelijk: typisch
een geval van een ontaarde moeder. Mijn uitleg over
het hoe en waarom mocht zelden baten, zodat ik daar
uiteindelijk ook maar mee stopte.
Toen Liselotje bijna een jaar oud was, herhaalde de
geschiedenis zich: “Jij wilt zeker wel een plakje
worst?“ vroeg de slager aan Liselotje.
Ik aarzelde. ‘Ze mag het wel hebben,’ zei
ik. ‘Maar vindt u het dan goed dat ik het haar
straks als we buiten zijn geef, want anders begint
ze híér steeds om worst te roepen.’
De slager keek me niet begrijpend aan. Ineens schoot
me te binnen dat hij wel eens zou kunnen denken dat
ik straks zélf dat plakje op wilde eten. Die
beschamende gedachte maakte dat ik razendsnel zei: ‘Nou
ja, geeft ú het haar maar gewoon.’
En zo gebeurde het. Liselotje aanvaardde de worst in
grote dank en schonk de slager één van
haar beminnelijkste lachjes.
Een paar dagen later waren we de winkel nog niet binnen,
of het geschreeuw begon al. ‘Dá… dá…” riep
mijn dochter hartstochtelijk, terwijl ze naar het schaaltje
bij de kassa wees. En vervolgens zette ze het op een
ongegeneerd gillen. Het duurde niet lang of daar waren
ze weer, de afkeurende blikken. Dit keer niet omdat
mijn kind zielig was, maar omdat er een buitengewoon
vervelend geluid uit haar mond kwam.
Maar omdat je een kind van één jaar nog
niet veel duidelijk kunt maken over algemeen geldende
fatsoensnormen, restte mij niets anders dan mijn ziel
in lijdzaamheid te bezitten.
De rij klanten was lang, en ik zou nog een flinke poos
met mijn krijsende kind moeten afzien. Gelukkig kwam
de mevrouw van de slager me te hulp. Vriendelijk kwam
ze met het schaaltje worst aanlopen en overhandigde
Lotje een plakje. ‘We verpesten ze zelf, hoor,’ zei
ze troostend.
Daar was ik het mee eens, maar de afkeurende blikken
vielen wel míj en niet háár ten
deel.
En nu zijn we een jaar verder. Inmiddels heb ik mijn
tweejarige dochter kunnen bijbrengen dat ze rustig
moet afwachten of ze een stukje worst krijgt, en dat
ze er niet om mag roepen.
Stralend zit ze nu in de winkelkar bij de vleeswaren-afdeling
en zet haar persoonlijk cassettebandje aan: ‘Gaag
worst,’ zegt ze, terwijl ze er charmant bij lacht. ‘Even
wachten. Gaag worst. Gáág! Even wachten,
hè? Gáág. Danke vrouw… Gáág… Gáág
worst!”
Ze heeft nu de ideale oplossing bedacht: ze wil best
even wachten, mits ze de garantie maar heeft dat ze
niet wordt vergeten. Die garantie regelt ze uitstekend
voor zichzelf. De afkeurende blikken hebben plaatsgemaakt
voor vertedering en hilariteit. En hoewel ik vind dat
een mens zich niet door dat soort dingen moet laten
beïnvloeden, moet ik toch toegeven dat ik het
zo wel érg veel leuker vind.
Centraal Weekblad – april
1995
(Anne en Jette 7 jaar, Liselotte 2 jaar)
Naar
column archief  |