HET
ZOONTJE VAN DE DOMINO
Er is een nieuw jongetje bijgekomen in de klas, Harm-Pieter.
Hij zit naast Jette, en al vanaf de allereerste dag
was ze erg van hem gecharmeerd. Wát er precies
zo leuk aan hem is, krijg ik er niet echt uit, maar
dát hij leuk is, staat wel vast.
Op een middag komt ze een beetje verdrietig thuis. ‘Kan
ik zo even met je praten?’ vraagt ze. ‘Natuurlijk,’ zeg
ik. ‘Als de aardappels in de pan zitten, sta
ik tot je beschikking.’
Even later komt het hoge woord er uit: Harm-Pieter
had haar gevraagd of ze naast hem in de rij wilde staan.
Zij had daar samen met een ander meisje erg om gegiecheld,
en toen stond Harm-Pieter dus ineens met Charleen in
de rij.
Ze kijkt me verslagen aan en ik zie dat ze bijna moet
huilen. ‘Ja, dat is nou pech,’ zeg ik. ‘Voor
jou, maar ook voor Harm-Pieter. Ik kan me best voorstellen
dat je van de zenuwen gaat giechelen, maar Harm-Pieter
heeft misschien wel gedacht dat je hem uitlachte, en
dat is toch niet leuk als je net in een nieuwe klas
zit, want dan is alles nog zo vreemd en nieuw.’
Ik zie haar denken, want van die kant had ze het nog
helemaal niet bekeken.
‘Wat moet ik nou doen?’ vraagt ze een beetje
paniekerig.
Ik stel voor dat zij op haar beurt zou kunnen vragen
of Harm-Pieter een keer met háár in de
rij wil staan. Ze schudt heftig van nee. ‘Nee,
hoor,’ zegt ze. ‘Dat durf ik niet. Dan
bedenk ik wel wat anders. Maar ik ben blij dat je het
nu wél weet, want als ik dan een keer moet huilen
als ik uit school kom, dan weet je tenminste hoe het
komt.’
Een paar dagen na dit incident komt ze opgewekt thuis.
Ze had Harm-Pieter nu durven vertellen dat ze hem helemaal
niet gek vond, maar juist heel leuk.
‘Zondag komt er een nieuwe dominee in de kerk,’ zeg
ik vrijdagmiddag aan tafel.
‘Weet ik al lang,’ zegt Anne laconiek.
‘Hoezo weet-ik-al-lang?’ vraag ik.
‘Nou,’ zegt ze. ‘Dat is dus de vader van
Harm-Pieter.’
Ik ben stomverbaasd, want die link had ik nog niet
gelegd. Daarna vertel ik dat alle kinderen een zelfgemaakte
bloem gaan geven, en dat zij er ook één
moeten maken.
Even later zitten ze buitengewoon geïnspireerd
te knippen en te kleuren. Want voor de vader van Harm-Pieter
willen ze absoluut het onderste uit de kan halen.
Als de bloemen klaar zijn, schrijven ze er nog een
paar zinnetjes op. “Voor de nieuwe domino”,
schrijft Jette. Ik laat het maar zo, want ik vind het
wel grappig.
Zondagmorgen stappen we een feestelijke kerk binnen.
Iedereen draagt een narcis en het zit echt stampvol.
En dan staat hij daar ineens, de vader van Harm-Pieter.
Op warme wijze wordt hij door zijn aanstaande collega
bevestigd. Bij de woorden ‘De zieken zullen zij
troosten en de stervenden bijstaan’ krijg ik
een brok in mijn keel. Want het is tenslotte niet niets
als je dat ten overstaan van een volle kerk belooft.
Daarna mogen de kinderen hun bloemen geven. Degenen
die willen, mogen zeggen wat ze er op geschreven hebben.
Anne leest trots haar ‘tekst’ voor.
Jette, die anders toch best van een beetje belangstelling
houdt, klemt haar bloem stevig tegen haar buik. Ze
heeft inmiddels ook zelf haar fout ontdekt en geeft
die voor geen geld aan de openbaarheid prijs. Ik vind
het jammer dat ik halverwege de kerk uit moet omdat
ik kindernevendienst heb. Daar staat tegenover dat
ook ík nu de eer heb om Harm-Pieter in levende
lijve te mogen aanschouwen.
Als ik hem zie, kan ik Jette’s bekoring geheel
delen. Want voor me staat een charmant en grappig jongetje.
‘Wat een feest hè?’ zeg ik tegen hem. ‘Er
zal vandaag wel veel bezoek komen bij jullie thuis.’
Hij knikt heftig. ‘Het wordt própvol,’ zegt
hij.
Maandagmiddag vraag ik of Harm-Pieter in de kring
nog verteld heeft van het feest.
‘Nee, hoor,’ zegt Anne monter. ‘Want hij
had nieuwe sokken, en je mag altijd maar één
ding vertellen in de kring.’
Ik knik begripvol. Want natuurlijk, een mens moet nu
eenmaal prioriteiten stellen in het leven.
Centraal Weekblad – oktober 1994
(Anne en Jette 7 jaar – Liselotte 1 jaar)
Naar
column archief  |