SMARTIES EN ROZIJNEN
Liselot en ik hebben een zogenaamde keutelochtend.
De boodschappen zijn in huis, alle brieven gepost,
en er komt geen bezoek. Kortom, we zijn samen thuis
en we hebben het heel gezellig.
Terwijl ik aan de keukentafel de rekeningen betaal,
is zij lekker aan het spelen. Nadat ze een doosje smarties
verorberd heeft, wil ze ook nog graag een doosje rozijntjes.
Eerst aarzel ik, want tenslotte heeft ze net al wat
gehad. Maar ach, denk ik dan, rozijntjes zijn gezond.
En dus pak ik een doosje uit de keukenla, en neem me
meteen voor dat ik haar morgen van tevoren zal laten
kiezen: òf een doosje smarties, òf een
doosje rozijntjes.
Als ik Lotje ’s middags na het eten naar bed
breng, ruimen Anne en Jette de kamer even op. Ineens
hoor ik Jette alarmerend schreeuwen: “Mam! Mámááá!
Kom eens gáuw!”
Ik schrik en ren naar beneden. Jette wijst naar het
doosje rozijntjes op Liselots tafeltje. En dan zie
ik het: tussen het restant van de rozijnen kruipen
vier dikke witte maden van bijna een centimeter lang,
en overal zie ik kleine eitjes. Tot mijn ontsteltenis
tel ik nog maar acht rozijntjes. De rest zit allemaal
in mijn dochters buik. Ik begin een beetje te rillen
bij dit afschuwelijke idee en bel meteen Ron. Die blijkt
net tussen twee vergaderingen in te zitten. In de minuut
dat hij me te woord kan staan, weet hij niets beters
te zeggen dan dat Lot haar vlees voor vandaag tenminste
alvast binnen heeft, en dat ik misschien maar een paracetamolletje
moet geven. Een beetje gebelgd hang ik op.
‘Meteen een wormenkuur bij de drogist halen,’ is
het advies van mijn zusje die ik ogenblikkelijk daarna
bel. En de nageltjes moet ik helemaal kort knippen
en de luiers goed dicht maken, want wormen zouden heel
besmettelijk zijn.
Anne en Jette staan met een angstig gezicht bij de
telefoon te wachten tot ik opgehangen heb. ‘Gaat
ze dood?’ vraagt Anne bang. ‘Tuurlijk niet,’ zeg
ik, ‘maar ik moet wel een wormenkuur halen. Dat
ga ik nú doen, dus jullie blijven even hier.’
Tot mijn verbazing blijkt een wormenkuur een volkomen
normaal product te zijn. Opgewekt overhandigt het meisje
mij een doosje. Maar – als ik uitleg wat er precies
gebeurd is – trekt ze een bedenkelijk gezicht. ‘Nee
mevrouw,’ zegt ze dan, ‘dan heeft u hier
niets aan, want dit is een kuur tegen aarsmaden, en
dat zijn het natuurlijk niet.’
Nee, denk ik somber, nòg niet. Mijn stemming
gaat er niet erg op vooruit als ze vervolgens begint
te vertellen dat maden zelfs gevaarlijk kunnen zijn:
het konijn van haar buren, namelijk, was door maden
van binnenuit helemaal opgevreten.
‘
Ik zou de dokter maar bellen als ik u was!’ zegt
ze dan. Dat lijkt mij inmiddels ook een uitstekend
idee, en zenuwachtig spoed ik me weer naar huis.
‘En?’ vragen Anne en Jette die me voor
het raam staan op te wachten. Ik leg uit dat ik geen
kuur heb, maar wèl de dokter moet bellen. ‘Gaat
ze dan tòch dood?’ vraagt Jette paniekerig. ‘Tuurlijk
niet,’ zeg ik nog een keer, maar echt prettig
voel ik me niet.
Even later vertel ik het verhaal zo rustig en duidelijk
mogelijk aan de assistente, die de kwestie met de dokter
zal bespreken. Stomverbaasd hoor ik daarna dat het
weliswaar verschrikkelijk vies is wat er gebeurd is,
maar dat ik helemaal niets kan doen. De maden zullen
verteerd worden door het maagzuur, en de eitjes ook.
Ik hoef dus niet bang te zijn dat er ineens een vlieg
vanuit haar luier de wijde wereld in zal trekken. Het
enige waar ik rekening mee moet houden, is dat Lotje
een beetje misselijk zal kunnen worden.
Oneindig opgelucht hang ik op. Ik kan dus niets doen.
Bij nader inzien bevalt dat eigenlijk helemáál
niet. Dus stort ik me – nadat ik alle doosjes
rozijnen uit de keukenla zonder pardon in de vuilnisbak
heb geknikkerd – op het grondig reinigen van
de speelhoek. En terwijl ik daarmee bezig ben, bedenk
ik dat Lotje morgen zal kiezen tussen een doosje smarties
en een doosje smarties. Want rozijnen komen voorlopig
mijn huis niet meer in!
Centraal Weekblad – oktober 1995
(Anne en Jette 8 jaar, Liselotte 2,5 jaar)
Naar
column archief  |