EN DAN IS ER EEN KINDERLOKKER
Lekker hoor, denk ik, even de krant lezen. Wonderlijk toch dat mensen zin kunnen hebben om zo’n ding bomvol ellende te gaan lezen. Maar goed, ik lees hem dus toch. Anne en Jette zijn buiten en Liselotje ligt in bed.
Eventjes rust. En inderdaad, het is maar even, want een paar minuten later stormt er een hele horde buurkinderen de tuin in. Opgewonden staan ze voor het raam door elkaar te schreeuwen. Of ik maar even wil komen.
Met veel verve brengen ze het grote nieuws: er loopt een kinderlokker in het paadje. Een echte. Bij mevrouw Van den Dijssel. En hij is heel groot, wel zo groot als een bóóm. Geheel vervuld van dit allesomvattende drama staan ze met verhitte hoofden voor me. Ik heb net gezien, en hoor trouwens nog steeds, dat mevrouw Van den Dijssel aan het grasmaaien is. En ook in een paar andere tuinen die aan het bewuste paadje grenzen zijn mensen aan het werk. Het lijkt me niet de meest ideale situatie voor een kinderlokker.
‘Tjonge zeg,’ zeg ik wat dommig. ‘Dat is nou ook wat.’
Nou, dat is zéker wat. En ze hebben ook nog sporen gezien. ‘Dat zijn voetstappen,’ legt Anne me uit. ‘En er waren allemaal voetstappen in het paadje. Maar die kinderlokker was hartstikke bang voor ons, en nu gaan we hem zoeken.’
Ik vind het geestig. De omgekeerde wereld: kind vangt kinderlokker. ‘Doe je best,’ moedig ik hartelijk aan. ‘Maar je mag niet de laan uit, en niet verder dan het paadje!’
Dat beloven ze. En dan loop ik weer naar binnen. Als ik weer achter de krant zit, bonkt Anne op het raam. Ik doe de deur open en ze rent langs me heen naar boven. ‘Even wat halen,’ hijgt ze.
Na een paar minuten is ze nog niet terug. Ik besluit maar eens te gaan kijken. Boven gekomen zie ik haar staande aan haar tafel de laatste hand aan een tekening leggen: een mannetje met een groot, groen hoofd en een driehoekig oranje lijf.
‘Ja,’ zegt ze gejaagd. ‘Dit moet ik aan Robert en Mark geven, want we kunnen de kinderlokker niet vinden. En nu gaan zij hem op de fiets zoeken, want zij mogen verder weg dan wij.
‘Oh,’ zeg ik verbaasd. ‘Maar waarom moeten ze dan die tekening hebben?’
Ongeduldig legt ze me uit dat Mark en Robert weliswaar gaan zoeken, maar dat ze natuurlijk niet weten hoe de kinderlokker er uit ziet.
‘Hebben ze hem niet gezien dan?’ wil ik weten. En eh… nee, bij nader inzien toch eigenlijk niet zo goed, nee. Ze stuift met haar tekening de trap af. Langzaam dringt de kern van de zaak tot me door. Nu begrijp ik het. De tekening met het groen-oranje mannetje dient als signalement. Nee maar, hoe eigentijds.
Als ze een uur later binnen komen, reppen ze met geen woord meer over de kinderlokker. Als ik er naar vraag wordt me achteloos gemeld dat die gewoon niet gevonden is.
’s Avonds vertelt Jette me vertrouwelijk dat ze eigenlijk helemaal geen kinderlokker heeft gezien. Maar ja, iedereen zag hem, dus nou ja, toen had zij maar gezegd dat-ie zo groot was als een boom. Ik opper de mogelijkheid dat misschien wel níemand hem gezien heeft. Sterker nog, dat er dus helemaal geen kinderlokker wás.
Ze knikt bedachtzaam. Dat zou best wel eens kunnen. ‘Maar ik vind het nog steeds eng hoor, mam,’ griezelt ze. En dat begrijp ik. Ten eerste omdat moeders altijd alles begrijpen, en ten tweede omdat ik kinderlokkers ook eng vind. Heel eng. Maar toevallig had ik met deze niet zo’n moeite.
Marianne Busser
(Centraal Weekblad – oktober 1993)
Anne en Jette 6 jaar – Liselotte 6 maanden
Naar
column archief 
|