JE ZULT MAAR VAN WORMPJES HOUDEN!

‘Het is wel even wennen hoor om huisdieren te hebben,’ zegt Jette aanstellerig. ‘Nu moet ik al die namen onthouden hè?’ Ze repeteert ze nog even hardop om haar woorden kracht bij te zetten. ‘Eh…Flabbertje… Snuitje en, eh…Korreltje.’
‘Nou…’ doe ik vol begrip. ‘Het valt niet mee.’
Tevreden tuurt ze nog eens in haar glazen appelmoespot. Want daar zitten ze in, onze nieuwbakken huisgenoten.

Ze kwam vrolijk thuis met drie eikeltjes in een lege eierdoos. Gevonden, op het schoolplein. En wát had ze ontdekt? Als je een eikel open peuterde, kon je daarin met een beetje geluk een ‘schattig’ wormpje aantreffen. Dat voorrecht mocht ze driemaal genieten. Drie eikeltjes-mét dus. En ze vond het geweldig, want je zult maar van wormpjes houden!
Nu wil het geval dat ik van nature niet erg dol ben op kleine beestjes. Pissebedden, oorwurmen, spinnen… Prachtige stukjes natuur, hoor. Maar ze zijn aan mij gewoon niet zo vreselijk besteed. Een doos met wormpjes in de kamer vind ik dan ook geen goed idee. Ze moeten dus maar buiten bij de voordeur blijven staan.
Ron, als rechtgeaarde vader, snelt bij de aanblik van een diep wanhopige en verontwaardigde dochter naar de ijskast en spoelt een laatste restje appelmoes door de gootsteen. Vervolgens doet hij de eikels in de pot en voegt er nog wat sappige groene blaadjes aan toe.
Bijna gierend van het lachen hoor ik hoe mijn echtgenoot uitlegt dat hij de pot nu met buitenlucht gaat vullen. Hij zwaait er imposant mee in het rond en sluit hem weer. ‘Ziezo,’ hoor ik hem zeggen. ‘Nu niet meer open maken, want anders gaat de buitenlucht er weer uit.’
De dagen daarop staan in het teken van Flabbertje en zijn broertjes. Alle gasten op opa’s verjaardag mogen de drieling uitgebreid bewonderen. En zelfs Liselotje waagt het vriendelijk te glimlachen naar de pot met inhoud.

Op een middag komt onze dochter met een doosje vol uitgeknipte papieren aardbeitjes naar beneden. Keurig rood met groen gekleurd.
‘Leuk,’ zeg ik prijzend.
En dan volgt er een uitleg waarbij ik me ernstig afvraag of ik nu voor de gek gehouden word, of dat haar fantasie werkelijk geen grenzen kent. Het doosje met aardbeitjes blijkt namelijk een cadeautje voor Flabbertje te zijn, want hij is maandag toevallig jarig. Of ik hem maar even op de verjaarskalender wil zetten?
Dat beloof ik.
Opgetogen brengt ze jan en alleman op de hoogte van het naderende feest. Echter, op zondag komt ze met de glazen pot naar beneden. ‘Flabbertje is dood,’ deelt ze somber mee. ‘Hij is helemaal bruin, kijk maar.’
Wij putten ons als één blok uit in deelnemend gejammer. ‘Ach… Dat is nou óók wat, zo net voor zijn verjaardag! Maar gelukkig doen Korreltje en Snuitje het nog prima…’
Dat blijkt dit bijzondere kind inderdaad een geluk bij een ongeluk te vinden.

Maandag liggen er twee verjaardagskaarten in de bus. Verjaardagskaarten voor wijlen Flabbertje. Van een attente en meelevende vriendin, die nog niet op de hoogte is van ons huiselijk drama.
Om twaalf uur vertel ik Jette voorzichtig van de attente verjaardagspost. ‘Geeft niets, hoor,’ zegt ze opgewekt.
Trots haalt ze een nieuwe eikel uit haar jaszak, met daarin de nieuwe Flabbertje. Flabbertje-junior, zogezegd. ‘Dan is híj toch gewoon vandaag jarig,’ zegt ze laconiek.

Ach ja, denk ik, waarom ook niet? Zo is het leven nu eenmaal. Een eeuwig gaan en komen. Waarom tenslotte zou dat bij wormen ánders zijn?

Marianne Busser

(8 oktober 1993)
Anne en Jette 7 jaar, Liselotje 2 jaar

Naar column archief Naar vorige pagina.

 
 
Jette als baby

Jette als baby

Toen al vreselijk eigenwijs

Toen al vreselijk eigenwijs

Jette 9 jaar

Jette 9 jaar