OORLOG
EN VREDE
‘Zeg, hoe gaat het nou eigenlijk met de arme
mensen?’ vraagt Anne plotseling.
We zitten samen in de auto en dat is altijd goed voor
een gesprek.
‘Hoe bedoel je dat?’ vraag ik.
Ze vindt me duidelijk nogal dommig. ‘Ja,’ zegt
ze ongeduldig. ‘Gaat het nou al een beetje beter
met ze?’
Ik vind het een lastige vraag. Wat zal ik hier nu weer
eens op zeggen?
‘Tja,’ begin ik. ‘Er zijn natuurlijk
nog steeds heel veel mensen die het erg slecht hebben.’
Ze reageert zeer verbaasd en herinnert me aan het feit
dat we toch zeker elke maand geld sturen. Dat zou zo
langzamerhand wel eens zoden aan de dijk moeten zetten.
Ik leg uit dat dat eigenlijk maar een klein beetje
is, en dat het bovendien maar voor één
gezin bestemd is.
Ja, ja, dat weet ze allemaal wel. Maar ze kunnen dat
eten toch zeker wel een beetje verdelen? Dat zou zij
tenminste wel doen, hoor. Eerlijk delen.
In gedachten zie ik twee paar ogen razendsnel over
twee bakjes chips gaan. Want wáár zou
het meeste inzitten? Maar ik hou mijn mond, want ik
denk tegelijkertijd aan onze inmiddels betaalde Spanje-vakantie.
Wat een luxe tegenover het beetje geld dat we elke
maand afstaan.
Het blijft een poosje stil. En dan wil ze weten hoe
het eigenlijk kán dat mensen geen eten hebben.
Ik geef een paar verklaringen over werkeloosheid, te
weinig regen, voedselschaarste en landen waar oorlog
is.
Dan informeert ze of het waar is dat er in een oorlog
met échte pistolen geschoten wordt, en of er
dan inderdaad zomaar mensen doodgeschoten worden.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat is nou juist zo
erg van oorlog.’
Verontwaardigd vraagt ze waarom God dat soort dingen
doet.
Ik leg uit dat het niet God is die oorlog maakt, maar
dat ménsen dat doen en dat God dat ongetwijfeld
ook erg verdrietig vindt.
Dat snapt ze. ‘Maar de politie dan? Wat zegt
de politie er eigenlijk van?’
Daarop weet ik niet beters te zeggen dan dat ik dat
allemaal ook niet zo goed weet.
Het probleem oorlog blijft de gemoederen bezighouden.
Aan tafel vraagt Jette waarom er eigenlijk Bevrijdingsdag
gevierd wordt. Tenslotte zijn de mensen die het feest
moeten vieren allemaal doodgeschoten in de oorlog.
‘Helemaal niet waar,’ zeg ik. ‘Want
opa en oma hebben de oorlog ook meegemaakt.’
Nu weten ze even niet wat ze horen. Nee maar. Is dat
waar? Opa en oma? En hadden die dan óók
geen eten?
‘Heel weinig, zeg ik. ‘Oma moest schillen
ophalen om melk te kunnen betalen voor haar baby-zusje.
En
er waren mensen die tulpenbollen moesten eten omdat
er gewoon niets anders was.’
‘Wat leuk,’ zegt Jette. ‘Groeit er
dan een bloem in je buik?’ Om vervolgens door te
gaan met: ‘Nou, maar als er bij mij op zolder een
keer oorlog komt, nou… dan zal ik papa wel helpen
met vechten, hoor. Dan eh… neem ik een bezemsteel
en dan sla ik ze gewoon het raam uit.’
Even later is het ruzie. Een echte damesruzie, met
veel gegil en geknijp.
Het duurt niet lang of ik ben het zat. ‘Dit is
dus net oorlog,’ roep ik nijdig.
In opperste verbazing staren ze me aan. ‘Nee,
hoor,’ zegt Anne. ‘Want wij hebben nog
wél te eten. Dus…’
Nu is het mijn beurt om sprakeloos te zijn. Maar voor
me een passende reactie te binnen schiet, is het al
niet meer nodig: de vrede is weer getekend.
Ging het overal maar zo snel.
Centraal Weekblad - mei 1994
(Anne en Jette 6 jaar – Liselotte 1 jaar)
Naar
column archief  |