BUILEN
OP BOLLEN
BAM! Ik zie het in een flits gebeuren, maar kan er
niets meer aan doen.
Dat was de knop van de voordeur, die met een door merg
en been gaande knal tegen Anne’s hoofd slaat.
Angstig zie ik hoe ze haar mond, zonder een kik te
geven, openspert en met gebalde vuisten de kamer binnenloopt.
Ik ben dolgelukkig als ze begint te huilen.
‘Mama, oooh má-mmááá!’ kermt
ze ingehouden. ‘Zo’n pijn.’
Ik voel het binnen in me sidderen en neem haar snel
op schoot. Ik wrijf en wrijf en sus en sus. En zo zitten
we samen op de bank, terwijl Jette met angstige ogen
toekijkt. Maar gelukkig blijkt het allemaal erg mee
te vallen. Waar ik een bloedend gat verwacht, tref
ik slechts een lichte buil aan.
Even later zit ze als Held (die leven en lijden manmoedig
draagt) een boterham met vlokken op te peuzelen. In
het gesprek dat volgt passeren alle eerdere builen,
bloedneuzen en opengeschaafde knieën de revue.
Genietend delen ze mee hoe flink ze – ook tóén
al – altijd waren.
Na een verhaal over neef Joost, die ’s nachts
met spoed naar de dokter vervoerd moest worden, omdat
hij bij het slaapwandelen een gat in zijn hoofd had
opgelopen, willen ze graag weten of ik vroeger soms
ook zo vreselijk door het leven gelouterd ben als zij.
En natuurlijk, daar wil ik best iets over kwijt. Ik
ga er eens even goed voor zitten en dan brand ik los
over bloedlippen, hersenschuddingen, gekneusde tenen,
in de brandnetels-gevallen en andere calamiteiten,
terwijl ik geamuseerd mijn ademloze gehoor bekijk.
Daarna vertel ik dat ik toen ik twaalf was van opa
en oma in Zeist naar het dorp mocht fietsen. Tante
Lies mocht achterop, mits we de fiets, vlak vóór
het dorp ergens zouden neerzetten, zodat we niet samen
door het drukke verkeer hoefden. Dat beloofden we.
Maar we deden het niet.
En toen – op verboden terrein – gooide
een vrachtwagenchauffeur zijn portier plotseling open.
In één klap werden met we fiets en al
op de stoep aan de overkant geslingerd. Resultaat:
fiets stuk, tante Lies vol schaafwonden, mama met een
gigant van een voetbalknie drie weken op een voetenbankje,
en - opa en oma héél erg boos. Want we
hadden niet geluisterd, en dát had je nou van.
Anne doet haar handen voor haar oren. ‘Dat moet
je niet vertellen, dat opa en oma zo boos waren, want
dat vind ik eng.’
Ondanks het feit dat een boze opa en oma kennelijk
niet in haar wereldbeeld passen, ga ik er op door. ‘Maar
dat is toch logisch,’ zeg ik. ‘Ze waren
toch heel erg geschrokken? Ik word ook boos op jullie
als je niet voorzichtig oversteekt. Boos van angst
en ongerustheid. Dat héb je nu eenmaal als je
van iemand houdt. Dan ben je toch vaak bang dat er
iets naars gebeurt.’
Even blijft het stil. En dan roept Jette vol vuur: ‘Dat
had ik nou ook. Ik was ook heel bang dat ‘oude
oma’ dood zou gaan. En het is nog gebeurd ook!’
‘Ja,’ doet Anne relativerend. ‘Maar
dát
was gewoon pech hebben.’ Belerend voegt ze dan
nog aan toe: ‘Dat heb je nou, hè, met
het leven.’
Ik loop snel naar het aanrecht om het niet uit te gieren
van het lachen. Zes-en-een-half zijn ze, met de hele
wereld op zak.
Als ik een stralende Liselotje even later haar zoveelste
luier omdoe, vraag ik me af hoe lang het nog zal duren
voordat zíj haar eerste buil zal oplopen. Niet
zo lang, vrees ik.
Jammer hoor. Maar ja, dat heb je nu eenmaal hè,
met het leven. Centraal
Weekblad – april 1994
(Anne en Jette 6 jaar, Liselotje 1 jaar)
Naar
column archief  |