LISELOTJE
NAAR DE SPEELZAAL
Als ik de zogenaamde ‘opnamemoeder’ bel
om te vragen wanneer Liselotje voor het eerst naar
de speelzaal mag, krijg ik te horen dat het door onvoorziene
omstandigheden nog wel een paar maanden kan duren voordat
ze aan de beurt zal zijn.
Daar kijk ik van op, want er was me nog niet zo lang
geleden verzekerd dat ze rond deze tijd absoluut aan
de beurt zou zijn. Maar als ik de hoorn op de haak
heb gelegd, merk ik tot mijn stomme verbazing dat ik
iets van opluchting voel. Want – hoewel ik soms
hartstochtelijk kan verlangen naar een paar uurtjes
rust – zie ik er ook een beetje tegenop om haar ‘weg
te brengen’. Samengevat heb ik dus best vrede
met dit uitstel.
Twee weken later vertelt Ron me dat er is gebeld en
dat onze dochter over anderhalve week haar debuut op
het speelzaaltje mag maken. In plaats van dat ik blij
ben, voel ik ineens een paar tranen prikken. Ik had
me er inmiddels weer helemaal op ingesteld dat ik haar
nog een poosje thuis zou hebben, en nu zou het dus
ineens heel snel gaan.
Ik herinner me nog goed hoe ik Anne en Jette destijds
naar de speelzaal bracht. Zenuwachtig en gespannen
was ik. En vooral bang. Bang dat ze het eng zouden
vinden, bang dat ze heel hard zouden vallen, en bang
dat ze zouden gaan huilen als ik weg zou gaan.
Maar het ging heel anders. Toen ze bij het afscheid
geen traan lieten, moest ík dus een beetje huilen.
Buiten op de gang. Ze konden me kennelijk best missen.
Een beetje somber reed ik naar huis.
Maar toen even later tot me doordrong dat ik voor het
eerst sinds lange tijd even niet de verantwoordelijkheid
voor hen had, werd ik ineens zo vreselijk blij dat
ik allerlei mensen ging bellen om te vertellen hoe
fantastisch ik dat vond.
Na het laatste telefoongesprek merkte ik tot mijn ontzetting
dat mijn alomgeprezen vrijheid alweer voorbij was;
het was tijd om mijn dochters op te halen. Ik vond
mezelf een ontzettende stommerd.
‘Is ze gewend om bij anderen te zijn?’ vraagt één
van de juffen, als ik Lotje naar de speelzaal breng.
‘
Nee,’ zeg ik, ‘eigenlijk is ze altijd bij
mij.’
De volgende vraag is of ik problemen verwacht. Ik kijk
eens naar mijn dochter en zeg dan dat ik geen moeilijkheden
verwacht. Het voelt een beetje raar om dat te zeggen;
alsof ik niet belangrijk ben voor mijn kind (en dat
wil ik best graag zijn). Maar we hebben al zo vaak
gerepeteerd dat ik haar naar ‘school’ zal
brengen en haar dan na een tijdje weer op kom halen,
dat ik er van overtuigd ben dat ze dat heel goed weet.
Een dikke, dikke kus en dan ga ik weg.
‘
Geniet ervan,’ zeg ik tegen mijn dochter. ‘En
tot straks.’
Buiten kijk ik nog even door het raam, maar ze is al
in iets anders verdiept. Ditmaal vind ik dat niet in
het minst een probleem. Als ik weg loop, moet ik zelfs
de neiging onderdrukken om te gaan huppelen. Dat zou
lijken alsof ik dolblij ben dat ik haar even kwijt
ben en die indruk wil ik voor geen prijs wekken. Maar
ik ben wél dolblij. Ik voel me fantastisch.
Ook omdat ik het gevoel heb dat ze werkelijk in heel
goede handen is.
Opgewekt loop ik gezellig met mezelf door de winkelstraat.
Bij de bakker koop ik een half brood. Even aarzel ik,
maar dan zeg ik: ‘Doet u er maar een moorkop
bij.’
Een uurtje later zit ik met koffie, de krant en een
moorkop op de bank en moet ik een beetje om mezelf
lachen. Ik bel Ron, en daarna keutel ik heerlijk een
beetje door het huis tot het tijd is.
Een beetje opgewonden ga ik terug naar de speelzaal.
En als ik haar weer zie – zo grappig en zo klein – voel
ik me werkelijk overstromen van liefde. Het lijkt of
ik nog meer van haar hou dan een paar uur geleden.
Want jawel… moeders zitten soms een beetje wonderlijk
in elkaar.
Centraal Weekblad - november 1995
(Anne en Jette 8 jaar – Liselotte 2,5 jaar)
Naar
column archief 
|