HORMOON-ELLENDE

‘Vind je me nog lief?’ vraag ik. Ron slaakt een diepe zucht en zegt dan op een toon die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat krachtig ‘JA’.
We zitten in bed en ik weet het best, ik stoor hem tijdens de laatste blaadjes van een spannende detective. Maar op de één of andere manier kan me dat nu niks schelen.
‘Hóe dan, lief?’ zeur ik verder. Met een geïrriteerd gebaar legt mijn echtgenoot zijn boek aan de kant. ‘Schat,’ zegt hij dan vermoeid, ‘Je hebt alles wat een man zich maar kan wensen: een vierpitsgasstel, een koffiezetapparaat en een vriezer met gehaktballen. Kortom, je bent perfect.’
Helaas is mijn gevoel voor humor op dit moment afwezig en ik vind het dus allemaal níét leuk!

Ach ach, het zit me even niet zo mee. Ik voel me moe en rot en heb het gevoel dat de hele wereld tegen me is. Ik laat een mooi kopje vallen en kijk de hele dag zuchtend naar de krummels op de vloer. Op een bepaald moment breng ik het op om naar de stofzuiger te lopen. Maar als ik er ben, keer ik bokkig om. Ik doe het niet. Ik heb er doodeenvoudig geen zin in. Op dezelfde manier vergaat het me met de was die gestreken moet worden. Somber bedenk ik dat het allemaal weer behoorlijk aan het oplopen is. En daar blijft het bij. Met geen stok ben ik vooruit te branden.
‘Geef jezelf eens een schop,’ spreek ik mezelf toe. ‘Moet je kijken hoeveel je hebt om dankbaar voor te zijn!’
Maar het helpt allemaal niks. De hele dag sleep ik me zuchtend en vol zelfmedelijden voort. Ik snauw volkomen onredelijk tegen de kinderen en voel me daarna razend schuldig en slecht. Ook dat nog, denk ik kwaad. Wie wordt er dan ook móeder?

Maar uiteindelijk is de dag dan toch om en zit ik in bed. De man met het boek naast mij kijkt nog eens opzij en probeert me een beetje op te vrolijken. ‘Ga morgen iets leuks kopen voor jezelf,’ zegt hij. ‘Daar knap je vast een beetje van op.’
Normaal gesproken neem ik elk voorstel op het gebied van aanschaffen dankbaar aan, maar nu niet. ‘Nee,’ zeg ik knorrig. ‘Als ik iets koop voel ik me toch maar schuldig.’
Die zal wel aankomen, denk ik. Maar zelfs dát valt tegen, want het meewarige antwoord is dat ik in dat geval wel een ondraaglijk bestaan moet leiden. En jawel, dat ziet hij goed: een ondraaglijk bestaan, dat is wel zo’n beetje de omschrijving.
Vertwijfeld vraag ik me af hoe het in vredesnaam komt dat ik nu zo ben. Ik ken mezelf gewoon niet meer terug. Lusteloos blader ik in een tijdschrift zonder ook maar iets te lezen en de tranen prikken achter mijn ogen.

Mijn echtgenoot weet het zo onderhand ook niet meer. ‘Wordt het misschien weer tijd voor de maandelijkse cyclus?’ informeert hij voorzichtig. Die vraag maakt me onverwacht woedend. ‘Dat is zeker het enige wat je kunt bedenken!’ roep ik. Met een theatraal gebaar knip ik het lichtje aan mijn kant uit en werp nijdig mijn hoofd in het kussen.
En dan begin ik na te denken. Wat zéi hij eigenlijk?
Het duurt niet lang of ik stap uit bed om mijn agenda te zoeken. Na enig geblader loop ik even later weer naar boven. En ja hoor, het klopt, ik mankeer echt iets. Ik word geteisterd door onbegrijpelijke en zeer geniepige gasten: hormonen. En het is elke maand weer hetzelfde: ze vallen me rauw op mijn dak. Ik had ze nog lang en lang en láng niet verwacht…

Centraal Weekblad – februari 1996
(Anne en Jette 9 jaar, Liselotte 2,5 jaar)

Naar column archief Naar vorige pagina.

 
 
Het is 1983

 
Het is 1983

 

  

En zo begon het dus...


En zo begon het dus...

 

   
Het is 2004. En toch maar mooi al 21 jaar (sámen) de hormonen overleefd!


Het is 2004. En toch maar mooi al 21 jaar (sámen) de hormonen overleefd!