DAT KAN TOCH BEST
‘Waar zijn mensen eigenlijk van gemaakt?’ vraagt Jette. En ze begint zelf voorzichtig het antwoord te zoeken. ‘Niet van klei,’ zegt ze, terwijl ze zichzelf eens aan een inspectie onderwerpt. ‘En ook niet van deeg, want dat breekt. Maar waarvan dán?’
Ik zucht eens diep en zeg dat ik het echt niet zou weten. En dan wacht ik op het volgende probleem. Want op de rand van het bed van deze dochter word ik dagelijks geacht de meest wonderbaarlijke vragen te beantwoorden.
Hoe anders gaat dat bij Anne. Die wil avond aan avond horen hoe ik ‘ook-o-weer’ elke dag met Bartje Daams naar school liep en het dan een beetje eng vond als hij wild deed.
‘Moest je toen huilen?’ vraagt ze dan, en ze verkneutert zich zichtbaar als ik zeg: ‘Nou, bijna wel, een beetje.’
Vervolgens moet ik voor de zoveelste keer vertellen wat oma Busser zei als ik stout was geweest. Met haar beer tegen haar neus ligt ze me genietend en ongelovig aan te staren. Ze kan het zich nauwelijks voorstellen: oma Busser en bóós? Hoe kán dat nou? Dan moet het wel Héél Erg zijn geweest!
Het verhaal van tante Lies doet het ook goed. Tante Lies, die vroeger zo vreselijk verlegen was dat ze zich meteen verstopte als er visite kwam en pas weer te voorschijn kwam als de laatste bezoeker hoorbaar zijn hielen gelicht had.
Heerlijk vindt ze het, verhalen over die ‘alleswetende grote mensen’, die vroeger dus ook bang en stout en verlegen blijken te zijn geweest. Wat een tróóst!
Maar daar heeft Jette niet zo’n behoefte aan. Die houdt zich meer bezig met het reilen en zeilen van de wereld en de mensheid in het algemeen, en heeft daar zo haar geheel eigen ideeën over: ‘Ik weet best waarom jij met papa bent getrouwd,’ legt ze uit, ‘Je vond hem de liefste van alle meneren.’
Dat beaam ik. ‘Ja, dat is zo.’
‘Heb je dan wel in alle landen gezocht?’ informeert ze. Ik zeg verontschuldigend dat ik wél goed gezocht heb, maar me toch vooral beperkt heb tot het Nederlands grondgebied.
Dat blijkt ze erg verstandig te vinden. ‘Ja hoor,’ zegt ze, ‘want in Nederland wonen de goeiere mensen, hè mam? Want je kan een Spaanse papa toch niet verstaan?’
Ze lacht tevreden met een gemaakt giechellachje. Zij gaat later ook alleen in Nederland zoeken, vertelt ze dan trouwhartig. Ze weet best wel hoe dat moet, hoor. ‘Dan doe je ’s ochtends je bruidsjurk aan, en dan ga je ’s middags zoeken, en dan kan je ’s avonds na het eten trouwen. Hè, mam?’
Ik schiet in de lach, want ik zie het ineens voor me. Geen flirtende dames meer in kroegen en disco’s, maar gewoon horden in vol ornaat getooide bruiden die een meneer aan het zoeken zijn.
‘Waarom lach je?’ vraagt ze een tikje verstoord. ‘Dat kan toch best, ná het eten trouwen?’ ‘Natuurlijk schat,’ zeg ik weer geheel in m’n rol. ‘Dat kan best.’
Ze denkt even na. ‘Waar heb jij papa eigenlijk gevonden?’ wil ze dan weten.
‘Op het werk,’ vertel ik.
Dat vindt ze buitengewoon leuk. ‘Goh zeg, maar had je dan je bruidsjurk al áán?’
‘Nou nee,’ zeg ik bescheiden. ‘Want ik moest natuurlijk eerst even zeker weten of-ie me wel wilde hebben.’ En vervolgens leg ik uit dat ik daarna – eind goed al goed – dus toch die witte jurk aan kon doen.
En dan moet ze gaan slapen. Dikke kus, en nog een kus, en nog een kus.
‘Nee, nou écht niet meer Jette. Welterusten. Tot morgen.’
Vertederd loop ik de zoldertrap af, op weg naar dat andere kind van me. En ik bedenk een tikje geroerd hoe fijn het is dat een mens zich soms ineens zo vreselijk gelukkig kan voelen.
Marianne Busser
23 oktober 1992
(Anne en Jette 5 jaar)
Naar
column archief 
|